Protestantse Kerk in Nederland
Protestantse Gemeente Oostzaan
 
 
Overwegingen Overwegingen

Overwegingen

Het is 2017  en wij leven kerkelijk in een herderloze tijd. In het afgelopen jaar is Gerson Gilhuis vertrokken en er is  op dit moment nog geen nieuwe voorganger. 

Los van de persoonlijk betrokkenheid bij onze gemeente missen we ook Gerson’s preken. Op de website stond een pagina ’Gilhuis preken’, en die heb ik verwijderd.

Neemt niet weg dat de preken of overwegingen welke van achter de tafel of vanaf de preekstoel tot ons komen van waarde zijn.
Vandaar dat ik  deze pagina op de website in het leven is geroepen.

Overwegingen, afwegingen welke tot nadenken stemmen vanuit de Christelijke boodschap die ons allen in meerdere of mindere mate raakt.
Mijn voornemen is dan ook – met hulp van enkele nadere betrokkenen – de boodschappen welke tot ons komen hier te plaatsen.

Jan de Waal
 


1. 22 januari 2017 ds. Cor Ofman
2. 29 januari 2017 ds. Bram-Willem Aarnoutse
3. 19 maart 2017 de heer Hans Bouma

 
--- xxx ---


22 januari 2017.  ds. Cor Ofman
In het evangeliegedeelte dat we zojuist lazen, trekt Jezus zich na de gevangenneming van Johannes de Doper terug in het land van Zebulon en Naftali. Dat was het gebied van het ‘klootjesvolk’, het Noord-Oosten van Israël, ver van Jeruzalem. Het Galilea der ‘heidenen’. Daar, in die ‘achterhoek van het joodse land’ begon Jezus zijn verkondiging: ‘Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij.’ Daar, aan de oever van het meer van Galilea, roept hij twee mannen, twee broers, Simon Petrus en Andreas, twee vissers, bij hun netten vandaan: ‘Kom, volg mij, en ik zal jullie vissers van mensen maken.’ En ze twijfelen geen ogenblik. Ze laten meteen hun netten achter, en volgen hem.
En hij ziet nog twee andere vissers, Jacobus en zijn broer Johannes. Ze waren met hun vader Zebedeüs in de boot bezig om de netten te herstellen. En ze laten meteen de boot en hun vader achter en volgen hem. Zo simpel is het dus.
 
Ze vroegen eens aan Bep Uyttewaal, een oudere non die werkte onder de heroïnehoertjes, achter het Centraal Station in Amsterdam: ‘Waarom doe je dit werk?’ Ze antwoordde toen: ‘Ik heb het geluk gehad dat ik in mijn leven telkens op het juiste moment de juiste persoon ben tegengekomen, anders was ik misschien op dezelfde plek terechtgekomen als deze meisjes.’ Zo simpel is het dus. In mijn ogen de meest realistische beschrijving van een roepingsverhaal. Beseffen dat je niks beter bent dan een ander, dat het - als je eerlijk bent- jou óók had kunnen overkomen, en uit dát besef leven mét en vóór de ander.
 
Waarom doe ik het werk dat ik doe? Waarom ben ik niet gewoon predikant geworden in Oostzaan, terwijl ik hier als kandidaat zo’n 38 jaar geleden in het kleine kerkje een van mijn eerste preken heb gehouden? Ik weet nog dat mijn moeder, die er ook bij was, nieuwsgierig door het raam van de pastorie keek…
Was ik dan niet in mijn hart geroepen om predikant te worden? Jawel, maar in die tijd waren de gereformeerde kerken nog niet toe aan een homoseksuele dominee. ‘Wie ben ik dat ik dit niet doen mag?’, was de titel van een boekje dat we in 1987, nu 30 jaar terug, publiceerden. Het motiveerde me toen niet echt om af te studeren. Uiteindelijk heb ik niet eens mijn doctoraal examen gedaan.
Ik heb er dus niet voor doorgeleerd. En dan houdt het in de kerk op. Hoewel, u bent me blijven uitnodigen. En ik voel me hier altijd bijzonder welkom.
 
En ik heb mijn draai gevonden, omdat ik iedere keer op het juiste moment de juiste mensen tegenkwam die vroegen: ‘Kun je niet bij óns komen werken?’
- de Vereniging ter Verbreiding der Waarheid: naast de oude evangelisatiearbeid een nieuw project voor nachtopvang;
- de Open Deur, een katholiek/oecumenisch inloopcentrum voor gesprek en aandacht;
- pastoraal werk dat ik combineerde met het werk als geestelijk verzorger in het Sint Lucas Ziekenhuis;
- de Hervormde Diaconie met nieuwe projecten voor psychiatrische patiënten en voor migranten;
- en al weer bijna negen jaar het Wereldhuis van de Protestantse Diaconie, een toevluchtsoord voor afgewezen asielzoekers en migranten zonder verblijfsvergunning.
 
Iedere keer opnieuw was er een stem die riep. Was het Gods stem? Was ik al geroepen vanaf de moederschoot? Ik wéét dat mijn moeder, di al 39 was toen ik geboren werd, altijd het gevoel heeft gehad dat ze als het ware mij moest ‘afstaan’. En ik moet een jongetje van een jaar of zes zijn geweest, toen ik gegrepen werd door de inhoud van een boek, een kerstcadeautje van de zondagschool, met de titel ‘Een neger in het dorp’. Het was winter en het had gesneeuwd.
Een paar schooljongens zagen een zwarte man door de sneeuw het dorp inlopen en ze hadden nog nooit een ‘neger’ gezien. Ze gooiden sneeuwballen naar hem toe. Maar de man liep onverstoorbaar door, naar het huis van de bovenmeester. En de kinderen schrokken. Wat doet hij daar? En toen kwam hij later op school vertellen hoe blij hij was dat ‘witte’ mensen het evangelie naar zijn land in Afrika hadden gebracht.
Ik moet van toen af hebben bedacht dat ik zendeling wilde worden.
We zongen toen ook dat lied: ‘Roept uit aan alle stranden, verbreidt van oord tot oord, verkondigt alle landen het evangeliewoord.’ Maar daarvoor hoefde ik uiteindelijk niet naar Afrika, omdat de Afrikanen in Amsterdam op mijn pad kwamen. Zat ik net in de Open Deur aan een Kerstpreek te werken over Immanuël: God-met-ons, kwam er een Afrikaanse man binnen, die zei: ‘Ik heet Emanuel, ik ben christen, jij bent christen. Kun je me helpen?’ En toen werd het nooit meer als voorheen.
Is dat: geroepen worden?
 
Gisteren vroeg de directeur van de diaconie me nog: ‘Vind je dit werk nog steeds leuk?’ En ik kon alleen maar antwoorden dat dit werk in het Wereldhuis mij na aan het hart ligt. Iedere keer opnieuw luister ik naar de verhalen van afgewezen asielzoekers. Het zijn mensen, geen dossiers of vreemdelingennummers. Asielzoekers uit al die brandhaarden en schroeiplekken van deze wereld:
En ze vertrouwen mij hun levensverhaal toe, ze delen hun angsten en zorgen.
 
Waarom doe je dit werk? Is dat niet te zwaar? Het is de vraag die mensen aan mij stellen. Misschien hou ik het vol omdat ik zoveel van mensen terugkrijg. Terwijl bij ons de kerken leger worden, groeien de migrantenkerken in ons land. Ze kwamen eerst bijeen in parkeergarages, op bedrijventerreinen, en kregen  ruimte van bestaande kerken. En er kwam in de Bijlmer zelfs een ‘kerkverzamelgebouw’, de Kandelaar, waar 15 kerken gebruik van maken. Ze geloven dat het een lieve lust is.
Toen we vanuit de diaconie in de Bijlmer begonnen met het Kerkhuis, werd ons op een ontroerende wijze door de Afrikaanse pastores een zegen toe-gebeden. Hún geloof versterkt het mijne!
Ik hoefde niet eens meer naar Afrika, want de Afrikanen kwamen hier naar toe en gaan ons voor in geloof en gastvrijheid. Zij zijn de vissers van mensen, die dag en nacht werken in verschillende schoonmaakbaantjes, en die zorgen voor cohesie in de samenleving door zich in hun vrije tijd in te zetten voor hun medemensen; ze openen een soepkoeken, ze vangen jongeren op, ze doen aan intensieve toerusting.
 
Steeds meer mensen zijn bevreesd dat de islam als godsdienst onze samenleving zal beïnvloeden.
Voor het gemak wordt vergeten dat een groter aantal van de nieuwkomers christen is. Zou er een tegenbeweging op gang kunnen komen van mensen die niet bang zijn om zich te begeven in de wereld van de nieuwkomers? Die niet bang zijn om wat in te schikken, ruimte te bieden? Mijn God, worden wij geroepen uit onze comfortabele posities om ruimte te maken voor wie in de knel zitten?
God zit niet te wachten op klaargestoomde mensen, maar op mannen en vrouwen ‘om zomaar zonder praten hun netten te verlaten’, die durven opstaan en gaan en doen zoals de Heer deed.
Je hoeft daar niet ervaren in te zijn. Zolang wij ademhalen schept God in ons de kracht. Dat geloof zingen we ons zondag aan zondag te binnen. Dat geloof reiken we elkaar aan, want in je eentje red je het niet, brand je op. We hebben elkaar nodig, als kerkgemeenschap. En we hebben elkaar zoveel te bieden!
 
De afgelopen weken hebben de kolommen van het Dagblad Trouw zich gevuld met een discussie over de vraag hoe de Protestantse Kerk van Nederland zich moet verhouden tegenover moslims. Want die vormen een bedreiging voor onze samenleving met hun gewelddadige aanslagen. We vergeten voor het gemak dat er meer slachtoffers vallen in het Nederlandse verkeer. We creëren tegenstellingen tussen onze cultuur en die van hen, alsof de PVV de verdediger van de joods-christelijke traditie is.
 
Eén van mijn bezoekers van het Wereldhuis is opgegroeid als een vrome moslim, die de Koran uit het hoofd kende. In plaats van imam te worden (en omdat zijn homoseksuele geaardheid niet zou worden geaccepteerd) ging hij sociologie studeren. Hij heeft zich ontwikkeld tot een vrijdenker, die ook de andere godsdiensten wilde leren kennen. Hij vertelde me hoe zijn vader als winkelier niet alleen tijdens het islamitische offerfeest vlees en ander voedsel uitdeelde aan de armen, maar dat ook op de andere tijden van het jaar deed. Hij vertelde me het verhaal over een koning die alles uitdeelde wat hij bezat, en nooit iets terug vroeg. Toen de goden zagen dat hij zijn hele bezit uitdeelde, wilden ze hem belonen: ‘Wil je dat we je rijkdom schenken, of wil je het eeuwige leven?’
En de koning zei: ‘Ik wil geen rijkdom of het eeuwige leven. Geef mij maar de ellende van alle mensen van de wereld.’ En de goden trokken zich stil terug.
 
Ik herken me in dat verhaal, en ik vertaal het dóór, in Bijbelse termen: Je laat alles achter wat je hebt, je eigen koninkrijkje, en je volgt Jezus op zijn weg van het koninkrijk van de God die Jezus ‘Abba’, ‘pappa’ noemde. Dat is een andere God dan de ‘goden’ van deze tijd, die enkel welvaart beloven voor hun eigen volk, en muren willen bouwen, en andersdenkenden en andersgelovigen willen weren, en met het etaleren van hun onderbuik-gevoel de angst voor het onbekende, de onbekende versterken. De Schepper van hemel en aarde, onze Schepper, die ons in de schoot van onze moeder heeft geweven, laat zich zien in de vreemde die zich laat uitnodigen in onze tent, zoals bij Abraham.
Zonder het te weten hebben we misschien engelen geherbergd. Ja, God zelf. Door brood te geven aan wie honger heeft, water aan wie dorst heeft, huisvesting aan wie zich als vreemdeling aandient, kleding aan wie niets om het lijf heeft, aandacht voor wie ziek is en wie gevangen zit te bezoeken, heeft dat aan mij gedaan – zegt de koning tijdens het laatste oordeel volgens de beschrijving van Matteüs. Want wat je hebt gedaan voor de meest onaanzienlijken van de mensen heb je Mij gedaan.
De vreemdeling kan de vriend zijn die je nog niet eerder hebt ontmoet. En in die ontmoeting kan de Eeuwige zich openbaren. Emanuel: God-met-ons.
 
‘Geef mij maar je angst, ik geef je er hoop voor terug.’  En geloof in een vreedzame toekomst. En een heleboel liefde.
Moge dat zo zijn.


29 januari 2017  Ds. Bram-Willem Aarnoutse uit Vinkenveen
 
Mens, waar ben je?
Een vraag, aan het begin van de Bijbel, Genesis 3.
Een vraag, naar waar de mens is.
Dat moment, dat God de Heer door zijn prachtige tuin wandelt, de Hof van Eden, maar tot een onaangename verrassing komt,  dat de mens zoek is.
Een onthutsend moment is dat, in dat fraaie landschap.
Ziet u het voor je?
Ik wel, hoor, prachtige tuin, bloemen, kleuren, blauwe hemel, …

Mens, waar ben je?
Een vraag, eigenlijk de eerste vraag die gesteld wordt in de Bijbel,
een vraag, die in het volgende hoofdstuk trouwens een vervolg krijgt:
mens,waar is je broer?

Zo begint de Bijbel.
Zo passen die twee oerverhalen bij elkaar,
de ene vraag in het perspectief van de verstoring van de relatie van de mens met God,
de andere vraag in het perspectief van de verstoring van de mensen en zijn/haar medemens.

In die volgorde, meent de schrijver van Genesis:
wanneer de relatie met God losgelaten wordt,
wordt het ook een opgave om de relatie met andere mensen goed te houden.
Onvermijdelijk, zo gaat dat
.
Ik weet niet of u daar iets van herkent, als je zo om je heen kijkt, naar wat er gebeurt.
De vraag is, of je je laat raken door het lot dat andere mensen treft.
Of dat je je ogen sluit, om het onverdraaglijke dat plaatsvindt.
Te veel, te vaak, te ver weg?
De wandeling waartoe een mens uitgenodigd is, om met God te wandelen, dag aan dag, is haast geworden.       Haast, … geen tijd.
Waar ligt de sleutel, om al die dingen toch hanteerbaar te houden? Waar ligt de ruimte, om alles een plekje te geven?
De kracht, om het hoofd boven water te houden…?

Mens, waar ben je … die vraag klinkt ook als:
God, waar ben ik in verzeild geraakt,    en hoe kom ik er weer uit?
Hoe vind ik het geluk van mijn leven weer terug?
Hoe kan ik bij dat evangelie Jezus komen, die spreekt over geluk ?
Want zo gaat dat:  je ontdekt de waarde van het goede pas als het er niet meer is,  of in de verdrukking komt, of als het zoek is.
Geluk, vrede, welvaart,
liefde, vrienden, ouders, kinderen
al die dingen die mooi zijn, en goed, je ontdekt de echte waarde ervan, als het weg is, zoek is…

Mens, waar ben je ?
En ook: God, waar ben ik?
Daarom begint de Bijbel daarmee. Kijk, dit is de bedoeling van Genesis 1 – 4.
Wie na de lezing van de Thora, de onderwijzing van God,  weer bij het begin begint, merkt hoe in Genesis 1-4  de strekking van het geheel begint in krachtige beelden.

Mensen ontvangen levenskracht, van God. Sterker nog: ze ontvangen het leven met de bedoeling het door te geven, zodat ze kunnen leven van generatie tot generatie. De kracht om schenkend te leven wordt beschouwd als een gave van God, waarover mensen niet naar believen kunnen beschikken.

Die gave werkt alleen ten goede,  wanneer mannen en vrouwen samen, ouders en kinderen, broers en zussen, bekenden en vreemden, elkaar leren kennen en op elkaar kunnen vertrouwen  en aan elkaar geven waar ze recht op hebben.
Wanneer deze relaties verzieken, gaan de mensen elkaar naar het leven staan en wordt de toegang tot het leven geblokkeerd.           
De Bijbel begint dus niet voor niets begint met deze twee vragen.
Het gaat er immers om,  hoe wij zelf als mensen leven in de schepping van God.Twee vragen, niet van een mens naar God, maar andersom: vragen van God aan de mens.

Dat is wat je van dit verhaal onthouden moet, niet alleen dat mensen God zoeken,  zoals wij zelf ook zo vaak doen, met zoveel vragen, waarom, het wat en hoe, het naadje van de kous, maar nog veel meer andersom:  dat God van meet af aan op zoek is naar mensen, naar ons.
Job zegt ergens, in het diepst van zijn klacht:
‘Gij maakt jacht op mij als een leeuw.’ [Job 10:16]

Waarom?
Omdat God niet alleen wil zijn, en Hij de mens uitgekozen heeft om Hem te dienen.
Dat wij Hem zoeken is niet alleen onze zaak, maar ook zijn zaak.
 
Iemand zei [Heschel 165]:  ‘De hele geschiedenis van de mensheid  zoals die in de Bijbel beschreven staat,  kan in één zin worden samengevat: God zoekt de mens.

God zoekt de mens,  God zoekt de mens in mij, in mijzelf – dat dacht ik er zelf bij.
En dat vond ik een mooie ontdekking, dat raakte mijn hart:
Geloof, geloven,  dat is niet alleen door God gegeven talent om zijn wil te doen.
Geloof, geloven, dat is ook een antwoord op Gods vragen.
GELOOF komt voort uit het ontzag, uit een besef dat wij leven in Zijn tegenwoordigheid, uit verlangen om in te gaan op de uitdaging van God, uit een besef dat er een beroep op ons wordt gedaan.

Mens, waar ben je?
Het is alsof die stem van God voortdurend spreekt, vragenderwijs.
De weg náár geloof, is een weg van geloof.
De weg naar God, is een weg van God.
Als God ons niet deze de vraag stelt, zijn al onze zoektochten tevergeefs.
Zo…………
Even laten bezinken, niet ?

Een hele opluchting, te geloven dat wij leven in de vraag van God.
Je hoeft niet boven te gaan zoeken, wat hier beneden volop aanwezig is, als je vertrouwt op deze wijsheid van God.
Het leven, dat God je geeft, en waarin Hij je uitnodigt om mee te doen, in zijn schepping, door de mens te zijn, die Hij in je ziet, dat ligt elke dag gewoon voor je klaar.
Het schijnt je als het zonlicht toe.

Op die manier wil ik met Jezus onderweg zijn, een beetje wandelen.
Steeds een stapje verder komen in die wijsheid van Jezus.
Als je de vraag van God herkent,   
       
Mens, waar ben je
maar ook zeker als je die vraag anders kent:
Mijn God, waar ben ik in verzeild geraakt,
dan hoop ik dat het gebeurt, dat wij, mensen, tevoorschijn komen, en niet verborgen blijven, omdat de mensen van deze wereld,  het nodig hebben, dat wij ons hart laten spreken.
Licht, om te verlichten en leven te geven en door te geven.
Zout, om te bewaren en smaakmakend te zijn.
Dat zou dit ons antwoord kunnen zijn, op Gods vraag: Mens, waar ben je?
Heer, wij verstaan uw stem

Laat ons opnieuw opnieuw uw mens willen zijn, en elkaars medemens, vandaag.
Zouden we dan niet gelukkige mensen zijn?

Amen

19 maart 2017 de heer Hans Bouma
 
DE MOND VAN EEN VRIEND,
een verhaaldienst op zondag 19 maart 2017.

 
Hans Bouma vertelt in deze dienst het verhaal van Judas.
Het verhaal dat Judas bij monde van Hans Bouma vertelt en waaraan Ton Senf muzikaal deelneemt, wordt ingeleid door de poëtisch-muzikale collage “Zijn mensen op aarde” (Psalm 113 to en met 118 opnieuw uitgesproken).
Bij het verhaal zelf zorgt pianist Ton Senf voor een muzikale stroom, waarop Hans Bouma als papieren bootjes zijn gedichten en teksten neerlegt. Bootjes op weg naar de diepzee van een mensenziel.

Een even schokkend als verrassend verhaal. Wij treffen Judas aan op het land van de pottenbakker, inmiddels een dodenakker. Terugblikkend, evaluerend, wanhopig zoekend naar zijn identiteit.
…Het moment dat zijn blik op mij viel – daar aan de oever van het meer. Het moment dat hij mijn naam noemde: Judas. Alsof ik opnieuw werd geboren. Mijn God, wie was hij – die Jezus?
Eén die mij kende zoals niemand mij kende. Licht was hij, één die mij verhelderde, aanzien verleende. Als een zon ging hij over mij op. En natuurlijk kon hij op mij rekenen.
Alles liet ik achter me.

Zonder verder na te denken werd ik zijn volgeling. Op een vreemde, onweerstaanbare manier trok hij mij aan. O dat moment daar bij het water, nog heel vroeg in de morgen was het. Ik vergeet het nooit. Eeuwig blijft het me bij…

Judas, wie is hij?
Onnoemelijk veel is er over hem getheologiseerd, gefilosofeerd, zoveel beelden heeft men van hem geconstrueerd. Hij zou de satan zijn, de satan in eigen persoon. Iemand die er alles voor over heeft om zichzelf te verrijken. Iemand met ernstige depressies, eigenlijk niet toerekeningsvatbaar.
Tot slot volgde weer een muzikale collage “Licht in onze ogen”, met voordracht van Hans Bouma en muzikale begeleiding van Ton Senf.
Beiden werden met groot applaus bedankt voor hun mooi bijdrage aan deze dienst
Na de dienst was er in het BJC een boekentafel met de laatste vijf uitgaven van Hans Bouma, die hij ook signeerde.

























terug
 
 
 
 

Kerkdienst
datum en tijdstip 29-10-2017 om 10.00 uur
Collecte SOS Kinderdorpen : LET OP : GEEN KINDERKERK !
 
meer details

 
Meerjaren Onderhoudsplan

Het meerjaren onderhoudsplan van de kerk
 
Jeugd

Rock Solid 2017. Informatie over de drie Rock Solid Groepen.
 
In Memoriam

Een herinneringspagina van gemeenteleden welke dit jaar zijn overleden.
 
 
Protestantsekerk.net is een samenwerking tussen de dienstenorganisatie van de Protestantse Kerk in Nederland en Human Content Mediaproducties B.V.