Protestantse Kerk in Nederland
Protestantse Gemeente Oostzaan
 
 
Intro Intro


Historie - index
 

Een muzikaal volkje Foto en impressie van het vroegere kerkkoor
Opening Bartel Jacobsz Centrum Artikel uit Kompas 18-1-2005
Het gemeente wapen van Oostzaan Kazen of kolen ? Welnee !
Bartel Jacobszoon Bart Door geschiedschrijver Jacob Honig
Jaarverslag Vrijzinnig Hervormden 1925-1926 Een handgeschreven verslag door  C. de Waal   
   


Jaarverslag 1925-1926 Vrijzinnig Hervormden


 






























































































 











































 
 
De Oostzaners zijn een muzikaal volkje !!!
We kennen vandaag de dag muziekverenigingen als Concordia, Crescendo, Excelsior, Bel Canto, Tavenu, Osanna…Plus dan  nog de individuele muziekbeoefenaars, solisten, duo’s trio’s, tot en met sextetten aan toe !

Zo kennen we vandaag de dag onze kerkelijke gemeente de Cantory – een samenstelling van  betrokken gemeenteleden die onder de bezielende leiding van Koos Lith, de mooiste  composities ten gehore brengen.
Maar dat is niet de eerste Cantory welke in de Grote Kerk musiceert !
Het was waarschijnlijk ergens in de jaren ’20 of ’30 van de vorige eeuw dat naast het al lange tijd bestaande Osanna in Excelsis er in de Grote Kerk een Kerkkoor bestond.

Samen uitvoeringen ? Kerkkoor en Osanna ? – dat was in die periode ondenkbaar, daarvoor lagen de geloofsopvattingen teveel uiteen.
Gelukkig is dat laatste veranderd en ten goede gekeerd.
Onderstaand een foto van het toenmalige Kerkkoor



Op de achterste rij v.l.n.r.
G. Hille (koster van de kerk), Piet Middendorp, de heer Miedschel, waarschijnlijk uit Amsterdam, Willy Smit, Jans Schuitemaker, Jo Schuitemaker, Ali Jonker, Annie Derlagen, Aris Andrea en Jan de Boer (de vroegere Gemeentesecretaris en de persoon die veel historische informatie over Oostzaan boven water heeft gehaald)).

Op de tweede rij :
Lies Koel, Annie van Hoorn (later de dirigente van het koor), Jo Koel, Hilletje Stam, mevrouw de Klerk, Lies Betlem-Hille, en Jo. C. de Boer van Russen Groen.

Zittend : Cor de Waal (mijn vader), Gré Wognum, de dirigent Spaarwater, C. Claasen-Neumann, Margaretha M. de Vries.

Allen zijn niet meer onder ons. Maar onveranderd is de entourage – de preekstel, de deur naar de Consistorie, het bord waar de collectezakken hangen en de omlijsting van het orgel.
En onveranderd is de behoefte van Oostzaners tot musiceren !

Jan de Waal

 
 Opening Bartel Jacobsz Centrum
18 januari 2005

Het is ondertussen al 12 jaar geleden dat het Bartel Jacobsz Centrum is geopend. Na ruim 10 jaar gesteggel met voor- en tegenstanders van de bouw werd het gebouw in gebruik genomen.
Onderstaand een verslag van de opening in het Kompas.


 
 Kolen of Kazen in het Oostzaanse Wapen ?
Welnee !

In Kompas van 25 augustus 2016  is een beschrijving over het wapen van Oostzaan en haar oorsprong opgenomen.  Een prima verslag dat voor velen die hier niet bekend mee zijn een nieuwtje zal blijken.

In het wapen staan op een drietand (een greep) een drietal kazen of kolen. Zoals het artikel vertelt is de oorsprong hiervan te vinden in een gevecht tussen  Oostzaners en Spanjaarden tijdens de 80 – jarige oorlog waar de Oostzaners  door en greep in het ruim van een Spaans  schip te steken 3 kazen (of kolen) naar boven haalden. Een ander verhaal is gebaseerd op het z.g. ‘spade steken’ waarbij een armlastige boer onder toezicht van de schout en schepenen en spade in grond stak om hiermee aan te geven  dat hij zijn land niet meer kon onderhouden.
Beiden zijn  mooie verhalen, maar ik betwijfel of ze waar zijn.

De oorsprong van het wapen van Oostzaan ligt in een verder verleden.
In de vroege middeleeuwen bestond er de  Banne Oostzaan, een rechtseenheid waarvan de oppervlakte min of meer gelijk was aan de latere polder Oostzaan. Binnen deze Banne bevonden zich drie kerken, de Catharinakerk in Oostzaan, de Maria Magdalenakerk in het Kalf bij Haaldersbroek en een kapel in Oostzaandam. Het was de tijd vòòr de Reformatie, dus alles was Katholiek.

De Catharinakerk was de leidende kerk in de Banne. Beiden andere kerken waren hier aan ondergeschikt en de macht van de Catharinakerk was groot.  Zo beheerde de kerk de dijken en ontving inkomsten uit de Sluisvisserij in Zaandam.  Velen hoorden bij de kerk, logisch, want als je ouder werd en niet meer kon werken, of armlastig werd dan was je afhankelijk van de kerk. Sociale voorzieningen zoals we die nu kennen bestonden gewoon niet.

Nu bestaat er een Kerkstempel.
Het oorspronkelijke stempel is in de loop der tijd zoek geraakt, maar en afdruk bestaat er wel. Het is een stempel van de Catharinakerk en op de rand van het stempel staat de tekst:  Filum Triplicatum Non Cito Abrumpitir hetgeen Latijn is  en betekent Een drievoudig snoer wordt niet spoedig verbroken. (Prediker 4 vers 12).


Het is zeer waarschijnlijk dat  dit stempel met deze tekst de drie kerken in de Banne Oostzaan symboliseert.  En om deze waarschijnlijkheid tot een bijna  zekerheid te verheffen : In de Maria Magdalenakerk aan het Kalf is een lezenaar aanwezig met hetzelfde wapen. Gegeven het grote belang van de Catharinakerk voor de middeleeuwse Oostzaanse gemeenschap is zo goed als zeker dat het wapen dat in dit stempel staat in de loop der tijd het wapen van gemeente Oostzaan is geworden.

Ik acht het dan ook zeer waarschijnlijk dat het Wapen van Oostzaan niets te maken heeft met kolen of kazen, - dat zijn leuke latere invullingen - maar het is ontstaan als symbool van drie kerken in de Banne Oostzaan.

Jan de Waal
 


   
Het verhaal van Bartel Jacobsz staat uitgebreid beschreven in het boek Geschiedenis der Zaanlanden.
Dat boek is geschreven in 1849 door de bekende geschiedschrijven Jacob Honig.
Het geeft een goed beeld van het optreden van Bartel Jacobsz en de gevolgen daarvan.
Het is geschreven in de taal van 1849 – je zou het kunnen omzetten naar het huidige taalgebruik, maar dat doet zonder meer afbreuk aan de wijze waarop Jacob Honig het gebeuren heeft verwoord.
Vandaar onderstaand de originele tekst !

 
Jan de Waal

 
 
Bartel Jacobsz, of, zoo als men hem noemde Heer Bart, pastoor van Oostzaanden, was de man, die de dienst van Rome verliet, en zich onder de belijders der gezuiverde leer schaarde.

Op Kerstnacht van het jaar 1565 merkte men, in zijne wijze van de dienst verrigten , eenige verandering op ; immers met niet zoo veel kerkgebaar als anders geschiedde dit ; de waardige priester sprak en leeraarde niet, zoo als men het anders in dit gebouw gewoon was te hooren. Een en ander maakte de grootste verwondering bij zijne leeken gaande, en deed hen met bekommering aan de regtzinnigheid van hunnen herder twijfelen.
Des morgens daarna was het nog erger hiermede, en opentlijk verklaarde men dat zijn Eerwaarde ketterde.
Het duurde echter tot het volgend jaar, dat hij, die zijn’ eigen weg bleef bewandelen, en zich aan de gevoelen van anderen niet stoorde, er opentlijk vooruitkwam, dat hij de gevoelens der Hervormden omhelsde.
Hij bleef echter nog bij zijne kerk, doch deed nu eens dienst naar de voorschriften dier kerk, en dan weder overeenkomstig de nieuwe gevoelens. Wanneer hij in den geest van Calvijn leeraarde, werd door velen zijne reden bijgewoond, daar, wanneer hij weder naar voorschriften der Roomsche Kerk de dienst deed, de kerk steeds minder bezocht werd.
Met die tegenstelling bewerkte de ijverige man, op wiens handel en wandel geene vlek of rimpel rustte, volkomen zijn doel, en zonder dwang of dollen ijver deed hij hen, die bij hem hoorden, als ongezocht het verschil in de beiden leerstellingen opmerken, het aan ieder verstand overlatende, welke zij wilden kiezen.
 
In dat zelfde jaar echter, bij het meer en meer veld winnen der Nieuwe leer, verliet hij opentlijk de kerk, waarin hij geboren en opgevoed was, die hij zoo lang bediend en geleeraard had, hij deed afstand van haar en de betrekking die hij bij haar bekleedde, om eene onzeker toekomst te gemoet te gaan.
Onzeker ?
Neen ! dat was zij niet, omtrent Hem wiens leer hij zou verkondigen, maar wel omtrent de plaats, waar hij des nachts het hoofd zoude nederleggen, de armoede, die hij koos voor de weelde van zijn ambt, den kommer , dien hij tegemoet ging, de schending van geloof en bediening, die Rome zeker niet ongestraft zoude laten ! Maar de geest was in hem ; het was niet van heden of gisteren, dat hij tot dien stap besloten was! Hij had de schriften gelezen, onderzocht, gewikt en gewogen : hij kende daaruit de beloften des Vaders, de leer des Zoons, en hij aarzelde niet om alles te verlaten, wat het leven hem genoegelijks aanbood, voor den vurigen wensch van zijn hart, de inspraak van zijn edel gemoed.
Hij gevoelde innig medelijden met zijne nog in de duisternis verzonken broeders, en brandde van begeerte, om ook voor hen het licht te laten schijnen, dat voor hem ontstoken was, en hen de Heer te doen dienen in geest en in waarheid, zoals het Evangelie dat voorschrijft.
 
De eerste  predikatie, die hij alzoo deed, had plaats op de  Groote Sluis te Zaandam, onder eenen verbazenden toevloed van menschen, zoo uit deze streek, als van Amsterdam en elders. De goede ontvangst zijner woorden spoorde hem aan meermalen  het woord te verkondigen, en meerderen kwamen op, en meerderen name de leer aan, die hij predikte.
Als toen begreep hij, zich niet alleen tot een enkele plaats te moeten bepalen, en uit eigene beweging, zoowel als op aandrang van anderen, begaf, hij zich op eenen zondag, bij helderen dag naar Westzaanden.
Op den dingstal, het plein voor de kerk, waar het regt gesproken werd, hield hij stand.
En nauwelijks had hij daar op een aangebragt rustpunt, den medegevoerden bijbel neergelegd, naauwelijks had hij zich de schare, die hem van Zaandam af gevolgd was, - waarbij zich vele inwoners van Westzaan en andere dorpen voegden – geplaatst, of de man, met zijn indrukwekkende gestalte, met dat hoog ernstige maar toch vriendelijk gelaat, met die doordringende maar toch aantrekkende oogen, sloeg het boek zijns Heeren open.
Zijne lippen ontsloten zich, en na dat hij de menigte de handen tot gebed gevouwen had, stemde hij de gemoederen tot het aannemen zijner woorden en bad den zegen Gods over deze en hunne samenkomst af.
Toen verhief zich zijne welluidende en overredende stem, in alle hare welsprekendheid en liefelijkheid, en het kon niet missen of het zaad, door hem gestrooid, moest in goede aarde vallen.
Want zoo ergens dan hier moest men het bekennen, dat was de leer van God, dat de zaligheid door Christus beloofd, zoo als de Apostelen dat geleerd hadden : zóó  moest die leer gesproken en verkondigd worden.
 
Ja, zulk een man moest daarin voorganger zijn : men moest de deugden  van het Evangelium hooren door een’ die ze zelve betrachtte, de zaligheid hooren verkondigen door een’. Die er zelve hope op kon hebben, wiens leven met zijne woorden overeenstemden, die niet verdoemde of zalig sprak uit zich zelven, maar die wees op den Meester, die de liefde is, die hem geleerd had lief te hebben en in wiens geest hij sprak.
Wij betreuren het dat de geschiedschrijver dier dagen – luttel als zij zijn – ons de woorden niet bewaarden, die hij gesproken heeft.  Maar voorzeker waren ze beter dan die, welke daar binnen in het gebouw gesproken werden, waarvoor de eenvoudige stond.
Immers velen verlieten dien prachtigen tempel en diens weidsch getooiden priester, en begaven zich naar buiten.
Hier toch bescheen hen, bij het licht uit den hoogen, dat zoo weldadig op de natuur werkt en der schepping schoonheid en groei geeft, dat licht, hetwelk voor het gemoed der menschen is, als het zonlicht voor de bloemen.
Ook dat licht gaf wasdom en kracht aan velen, in veler oogen welden  tranen op en veler gelaat blonk van een heilig vuur, en men drong op het zeerst , om den leeraar te naderen, toen het Amen zijne lippen ontvloeide.
Voorwaar had hij den geest der waarheid en des geloofs in het hart van bijna alle zijne hoorders ontstoken.
 
Maar een andere geest, die zich weldra bij velen openbaarde, had hij voorzeker niet opgewekt, de nederige en zachtmoedige man ; die dolle ijver, dat vernielende vuur, dat uit veler woorden sprak, dat op veler gelaat straalde, was niet uit hem.
Of was het alleen de wrevel, die de menigte bezielde, dat zij zoo lang de stomme beelden eere bewezen hadden, dat zij zich zoo lang door de glans van zilver en goud hadden laten verblinden, welke veroorzaakte dat, toen eenige ogenblikken nadat de leeraar geëindigd had, zij het kerkgebouw binnen stormden, de beelden omver rukten, en met schenzieke handen hunnen dollen ijver vooral koelden aan het kostbare beeld van St.Joris , die zij zoo lang als hun schutspatroon gehuldigd hadden ?
De priester stond nog in zijn plegtgewaad voor het prachtige altaar, en zijn mond sprak nog steeds het woord, dat allen verdoemde, die daar buiten stonden, dat de man verguisde. Die eens ambtgenoot en nu zijne tegenpartij was.
Maar toen de woedende menigte, die zich zo dikwerf aan hem geërgerd had, die hunne vrouwen en dochters verdorven, en de rust en vrede uit hunnen huisgezinnen verdreven had, de kerk binnen drong, toen verstomde heer CLAES, en hij moest magteloos toezien, hoe de woestelingen huishielden, hoe zij het heiligste niet spaarden, en hem den priesterrok van het lijf scheurden : niets was er dat de ijveraars betoomde ; als een breidellos paard holden zij voort, alles in hunne vaart meeslepende.
Wat dus elders gebeurde vond ook hier navolging, ook hier wierp men de beelden neder en vernielde men kerken en kapellen.
 
Te Wormer en Jisp , en andere dorpen daaromtrent, kwamen later de Heeren VAN BATENBURG, met eenig gevolg, wierpen er altaren om en vernielden beelden.
Het is niet te ontkennen dat deze beeldenstormerij, zoo wel hier als elders, eene vlek op de Hervorming geworpen heeft, die niet afgewischt kan worden, en die haar bij velen een onberekenbaar nadeel berokkend heeft.
Maar wie de Zaanlanden ook aandreef, BARTEL JACOBSZ was het niet.
Niet dat hij als priester, noch aan die sieraden als anderszins hechtte, maar hij wist als zoodanig, hoe die schending de Roomschen verbitteren moest ; hij gevoelde wat men van eene leer denken moest, die zich zóó kenmerkte, die zich aan dingen vergreep, welke anderen heilig waren, wie belijders zoo het huis des Heeren, met minachting bejegenden.
Voorzeker hij was het, die de ijveraars bestrafte over hunne woede, die zoveel schoons en prachtigs verwoestte. Voorzeker  de uitkomst heeft het geleerd, dat hij waarheid dacht. Voorzeker de kracht der Hervorming was gebroken bij velen, en vele die aarselden traden weder terug. Voorzeker hij betreurde het, dat men zoo handelde, en wij menen te mogen aannemen. Dat zijn invloed te Zaandam wist te bewerken, dat men aldaar, om die ergerlijke toonelen te voorkomen, alles wat tot de oude godsdienst en de kerk betrekking had, in zekerheid bragt.
Immers zeker handschrift daar berustende zegt :
‘’Dat voor den jare 1569 de kapel aan de Oostzijde van Zaandam (de tegenwoordige kerk aldaar) al gezuiverd was van den ouden zuurdesem des bijgeloofs, en dus tot eene verzamelplaats, tot eene kerk van CHRISTUS ware bondgenoten geworden.
Wijl op den 3 Junij 1569 al nader orde beraamd werd, tot onderhoud van de huiszittende armen, uit naam van kapelmeesters, voor zich zelven en uit naam en van wege de ouderlingen en diaconen, mitsgaders op de klagten van de geheele gemeente aldaar. En alzoo vervolgens de ware aanbidders des Almagtigen Gods en Zijnen Zoon JEZUS CHRISTUS met zuiverheid des harten, in geen minder getal tot dezen kapel kwamen, dan weleer onder de bediening der mispriesteren waren toegevloeid, offerende hunnen gaven alleen op het offer van de verdiensten van hunnen Zaligmaker, volhardende zij in dezelve, tot dat zij zich weder beroofd zagen van deze hunne zamelplaats’’.
 
Dit alles ontmoedigde dan ook BARTEL JACOBSZ niet, evenmin al dat de geestelijken, uit den omtrek, hem scholden of verdoemden, of op allerlei wijzen lagen legden. Hij ging voort van plaats tot plaats leerende en sprekende, naar de overtuiging zijns harten; - en God zegende zijn werk.
 
Ziedaar, waarde Lezer ! u den man geschetst, die, met de geestdrift der eerste Hervormers bezield, voor de Zaanlanden was wat PIETER GABRIELSE en JAN ARNTSZ voor Amsterdam en Noord-Holland waren, ‘en niemand’, zegt de Eerw. TENKINCK (predikant te Oostzaandam) ‘zal de groote verpligting ontkennen, die men aan deze eersten verkondiger des zuiveren Evangeliums, aan de Zaan heeft’.
 
BARTEL JACOBSZ ging voort de leer te verkondigen, zoo als hij aangevangen had, tot dat de hernieuwing der plakkaten en de komst van ALVA in deze landen, door indaging en vervolging opgevolgd, hem en zoo vele naderen, wilden zij hun leven bewaren, dwong het Vaderland te verlaten en elders eene schuilplaats te zoeken; hij week naar Engeland.
Toen egter Spanjes magt in het Noorderkwartier begon af te nemen, keerde BARTEL JACOBSZ weder naar zijn geboortelang terug, op nieuw op vele plaatsen zijne roeping volgende, tot dat hij in 1589 , tot predikant der banne Oostzaan aangenomen werd.
Wij zeggen banne hoewel BARTEL JACOBSZ als eerste leeraar van Oostzaandam vermeld wordt, en hij om rede de kerk in Oostzaan verwoest was, te Oostzaandam steeds leerde.
Immers daar was de oude kapel aan MARIA  MAGDALENA gewijd, welker stigting met op het einde der 14e eeuw rekent; althans toen in 1576, door onvoorzigtigheid der Spaansen soldaten, die op het kerkhof gelegerd waren, de kerk in brand geraakt was, deden kerkmeester, daar de muren waren staan gebleven, het gebouw weder in bruikbaren staat brengen. Voor beide plaatsen bekleedde BARTEL JACOBSZ alzoo het leeraarsambt, hoewel hij om gemelde reden de predikdienst in Oostzaandam verrigte. – Dit vond plaats tot 1585, toen beide dorpen afzonderlijke leeraars erlangden.
 
Westzaan had eerst in 1585 een eigen predikant JOANNES ANDELLUS ; daar in 1584 de gemeente aldaar, voor de gehele banne, gestigt werd door KLAAS ABARHAMSZ OOSTERHOORN, leeraar te Assendelft. – Koog, Zaandijk en Wormerveer, hadden eerst in de 17e eeuw eigene predikanten.
Van Oostzaandam werd de ijverige leeraar naar Beverwijk beroepen *) , waar hij nog vele jaren zijn gewigtig ambt bekleedde, zgt : dat hij eenen zoon heeft nagelaten, doctor in de godgeleerdheid en medicijnen, predikant te Monnikendam, waar hij ook gestorven en begraven is. Hij was een der afgevaardigden op de Dordtsche Sijnode, ‘’een man van groot verstand en eerwaardig opzigt’’.
Zijn zoon HENDRIK was Raad en Burgemeester der genoemde stad, ‘’een man van groote voorzigtigheid’’.
Zoo hebben wij de beginselen der Hervorming, en wie haar deden kennen in de Zaanlanden
vermeld..
 
Voor als nog mogt men zich in haren voortgang verheugen, maar niet lang zou men het geluk genieten vrij en ongestoord zijne godsdienst te mogen vieren.
De koning van Spanje en de priesterschaar, die hem omgaf, het verlies der rijke gewesten en der oude godsdienst voorziende, waren op middelen bedacht, om de wederstrevende Nederlanders, op nieuw en wel zwaarder onder zijn ijzeren juk te brengen.
Bekend zijn de eerste beginselen van de opstand daarop gevolgd.
De  Briel werd ingenomen en de hoeksteen onzer vrijheid was gelegd. – Geheel Noord-Holland viel daarop Spanje af.
ALVA kon den wassenden vrijheidsgeest niet keeren.
Amsterdam alleen bleef getrouw zijne zijde houden, en was een schuilplaats der Spanjaarden, die van daar als uit een ‘zekeren burg’, bijna vier jaren lang, de Zaanlanden teisterden.
 
*)        PETRUS LOOSJES merkt in de aantekeningen zijns vaders Beschrijving der Zaanlandsche dorpen aan, dat hij twijfel voedt of dit juist is; daar omtrent dien tijd wel eenen BARTHOLDUS WILHEMI in de Beverwijk leeraar was, doch men aldaar van geen  BARTEL JACOBSZ melding gemaakt vindt. Wij kunnen het niet beslissen; ligt dat SOETEBOOM in zijnen ijver weder wat te ver is gegaan).

 


 

terug
 
 
 
 

Kerkdienst
datum en tijdstip 29-10-2017 om 10.00 uur
Collecte SOS Kinderdorpen : LET OP : GEEN KINDERKERK !
 
meer details

 
Meerjaren Onderhoudsplan

Het meerjaren onderhoudsplan van de kerk
 
Jeugd

Rock Solid 2017. Informatie over de drie Rock Solid Groepen.
 
In Memoriam

Een herinneringspagina van gemeenteleden welke dit jaar zijn overleden.
 
 
Protestantsekerk.net is een samenwerking tussen de dienstenorganisatie van de Protestantse Kerk in Nederland en Human Content Mediaproducties B.V.